kegelclub MAC
opgericht 01-10-1955

    ontstaan en uitleg over de kegelsport:

 

                                                  Kegelballen uit omstreeks 1800, gemaakt van massief hout met metalen beslag.


Geschiedenis

De essentie van het kegelen is altijd en overal hetzelfde geweest: het met een bal omgooien van een aantal kegels. Werd eeuwen geleden op plat gestampte klei een baan uitgezet en met ronde stenen gegooid, nu zijn er vooral overdekte sportaccommodaties. Kegelhuizen met moderne banen van hout (parket) of kunststof die volkomen glad en geschaafd zijn, voorzien van automatische opzetmachines voor de kegels en de terugloop van de kegelballen.

    

De oervorm van het kegelen, het rollen met de steen, later met de kogel, heeft vermoedelijk zijn oorsprong in het oude Egypte. In een Egyptisch kindergraf uit ongeveer 5000 voor Chr. zijn namelijk delen van een kegelspel, lijkend op het huidige spel teruggevonden.

 




Een reconstructie van het spel, teruggevonden in het oude Egypte


Deze vondst bewijst dat het kegelen waarschijnlijk een der oudste spelsporten is.

De eerste duidelijke sporen van het kegelspel in Europa gaan terug tot in de Middeleeuwen. Uit diverse archieven is op te maken, dat in ieder geval al in de 12e eeuw het kegelspel werd gespeeld. Maar toen had dit spel kennelijk een bijzonder doel. Het was niet primair een sportieve krachtmeting of kunst, maar eerder een “spel” waarbij flink gegokt werd. Het ging daarbij soms om grote geldbedragen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een oorkonde van de Duitse stad Rothenburg uit 1157.

Hierin staat dat een jonge edelman de gelofte moet doen om zich tien jaar te onthouden van het kegelen voor geldbedragen. Zoniet, dan zou hem zijn totale vermogen worden ontnomen en zou hij de stad moeten verlaten.

Dit geeft aan dat het kegelen werd gebruikt voor gokdoeleinden. Ook andere oorkondes bevestigen dat beeld. Stadsraden en gemeenteraden moesten in die tijd steeds weer verboden uitvaardigen omdat het zogenoemde prijskegelen flink uit de hand liep.

       

Ondanks of misschien wel juist dankzij deze verboden werd het kegelen toch voor het nageslacht behouden. Op volksfeesten bleef het kegelspel eeuwenlang in zwang als volksvermaak. Niet alleen het gewone volk, maar ook de geestelijkheid, de adel en de gegoede burgerij bleven het kegelspel beoefenen.

In kloosters werd het kegelspel met een bijzonder doel gespeeld: de kegel stelde het kwade, de duivel, voor en deze moest door de kegels om te werpen uitgebannen worden. Daarom beschikten talrijke kerkgenootschappen toendertijd over een eigen kegelspel.

In de tijd van de Reformatie probeerden her en der de (nieuwe) protestantse overheden de heersende zeden – of beter gezegd wat in hun ogen onzeden waren – af te schaffen. Een van de eerste Reformatie-verordeningen in het protestantse Basel  van Calvijn in 1529 ging dan ook over het kegelen: op zon- en feestdagen mocht tijdens de kerkdienst en voor één uur ’s middags niet meer gekegeld worden.

    

Ondanks de herhaalde tegenwerking van burgerlijke en kerkelijke autoriteiten bleef men overal in Europa en dus ook in Nederland kegelen.

In de Gouden Eeuw (17e eeuw) werd het kegelen in Nederland zelfs het volksvermaak bij uitstek. Diverse bekende schilders maakten toen het kegelspel tot onderwerp van hun schilderijen. Ook in hofkringen was er belangstelling voor het kegelspel, zoals onder meer blijkt uit de aanleg van een kegelbaan bij paleis Het Loo door koning Willem II.

 

In de 18e en 19e eeuw kreeg het kegelspel meer en meer een wedstrijdkarakter.

De eerste spelregels dateren voor zover bekend uit 1786. In zijn lexicon schreef de Berlijnse arts en wetenschapper J.G. Krünitz als eerste over 13 regels voor het kegelspel, die overigens grotendeels afwijken van de huidige spelregels. Twee van “zijn” regels bestaan echter eigenlijk nog altijd:

o   Overschrijden van de startlijn is verboden

o   De kogel moet voor een bepaalde lijn opgezet worden.

Van Schiller en Goethe is uit de overlevering en brieven bekend dat zij fanatieke beoefenaars van het kegelspel waren. In die tijd raakte het kegelspel als sport in Europa meer en meer ingeburgerd.

      

In het begin van de 19e eeuw werden in Nederland de eerste kegelclubs opgericht. Deze clubs beoefenden het kegelspel in sociëteitsverband en hadden vaak een belangrijke sociale nevendoelstelling: het ondersteunen van armen en behoeftigen.

Door de verbetering van de leefomstandigheden in het Nederland van de 19e eeuw verloor deze maatschappelijke doelstelling geleidelijk aan betekenis. In plaats daarvan kwamen bij de kegelclubs de meer op sport gerichte doelstellingen centraal te staan. Het kegelen werd een echte wedstrijdsport.

Vanuit de clubs ontstond behoefte aan een landelijke structuur. Na eerdere initiatieven werd in 1911 de Koninklijke Nederlandse Kegelbond, K.N.K.B., opgericht waarbij zich alle lokale kegelbonden aansloten.

    

Door de toenemende mobiliteit verspreidde de kegelsport zich over alle werelddelen. In Rusland heet het “Gorodka”, in Italië “Boccia”, in Schotland “Curling”  en in Frankrijk “Quiller”.

In 1952 werd dan ook de Fédération Internationale des Quilleurs (FIQ) opgericht, een wereldomvattende organisatie die verschillende kegelsporten verenigt.














Hotel Vrijheid 1916

Uitleg over kegelen

Kegelen is een boeiende en uitdagende sport. Een sport die door jong en oud beoefend wordt. Van tiener tot senior. Door jongens en meisjes, door dames en heren. Kegelen is dus niet aan leeftijd gebonden, iedereen ongeacht zijn/haar leeftijd kan leren kegelen.

Er wordt gespeeld met kegelballen (gewicht varieert van 14 tot 19 pond) op een parket- of kunststofbaan, waarop aan het einde (= de schaar / kegelplateau) negen om te gooien kegels staan.

Een kegelbaan is 30 cm breed en 20 meter lang.

 

Met een bal, waarin slechts één gat (het duimgat) is uitgespaard, wordt gegooid met de bedoeling om zoveel mogelijk kegels om te gooien.

Na elke gegooide bal worden de kegels weer automatisch opgesteld. Meestal gooit een speler 10 maal achter elkaar, waarbij elke score automatisch op een scorebord boven de baan wordt aangegeven. Elke omgeworpen kegel is 1 punt. In het kegelspel noemt men dit “hout”. Maximaal is in een worp dus 9 “hout” te behalen.

 

Net zoals bij andere sporten moet er enige techniek aangeleerd worden. Concentratie is echter minstens zo belangrijk. Een goede techniek is belangrijk, maar concentratie een must!


Vereiste techniek in 19 stappen

   

  1.  De bal oppakken en er rustig mee naar de baan lopen

  2.  Links of rechts naast de baan gaan staan, voeten evenwijdig naast elkaar en evenwijdig ten opzichte van       de baan

  3.  We leggen de bal op de baan

  4.  Buigen ons wat voorover en gaan iets door de knieën, zodanig dat we met gestrekte arm de bal goed           kunnen vast pakken

  5.  We plaatsen de duim in het gat van de bal, vingers gestrekt naast elkaar naar beneden er onder

  6.  We zorgen dat het richtteken op de bal recht vooruit wijst

  7.  We tillen de bal enkele cm. van de baan omhoog en herhalen dit om te voelen of de bal goed in de hand       ligt

  8.  We plaatsen nu de bal op de rand van de baan

  9.  We gaan ons instellen op de worp

10.  We kijken over de rollijn van de bal naar de kegels en houden het punt waar we de bal willen loslaten         (tussen de groene en rode lijn op de baan) goed in het oog

11.  Tillen de bal enkele cm. boven de baan

12.  Brengen de gestrekte arm naar achteren met de bal in de hand 

13.  Zwaaien de arm gestrekt en evenwijdig boven de baan voorwaarts en maken daarbij enkele passen in           dezelfde richting

14.  Zorgen bij het stappen dat ons lichaam dezelfde stand behoudt

15.  Laten de bal in vloeiende lijn op de baan komen, voor de afgooistreep (dus vóór de rode lijnmarkering         op de baan)

16.  Laten de bal los op het in gedachten genomen punt op de baan op het moment dat de gestrekte arm           recht naar beneden wijst

17.  Na het loslaten van de bal blijft de linker- of de rechterarm de bal nawijzen in de gooirichting

18.  Na het loslaten van de bal lopen we enkele passen, tot de uitlooplijn op de baan en/of vloer, mee in de         gooirichting evenwijdig aan de baan.

19. We blijven nadat we tot stilstand zijn gekomen de bal volgen.


Kegelen wordt meestal in team- / clubverband beoefend. Een club telt doorgaans 8 tot 12 leden. Er wordt op 2 banen, dus met 2 kegelaars, om beurten gegooid. Dit houdt in, dat de overige leden support geven vanaf de tafel achter de banen, de telling bijhouden en/of met een hapje en een drankje hun ervaringen uitwisselen.

Er zijn dames-, heren- en ook gemengde clubs.

Het kegelen, als gezellige ontspanning of als harde prestatiesport, is voor velen een geliefde vorm van vrijetijdsbesteding. Kegelen wordt in Nederland dan ook door duizenden mensen beoefend. Een middag of avond kegelen betekent ontspanning, los van dagelijkse zorgen en beslommeringen, loskomen van de stress en belasting die werk en beroep met zich meebrengen.